 |
O K A N - Veel gestelde vragen
Hoe gebeurt de oriëntering van een anderstalige minderjarige nieuwkomer
(secundair onderwijs) in Vlaanderen?
- de oriëntering wordt in de eerste plaats bepaald door het gelijkwaardigheidsattest.
Dat attest verkrijgen de leerlingen door hun diploma van de hoogst behaalde
klas in het land van herkomst naar het Ministerie van Onderwijs te sturen.
Daar wordt een gelijkwaardigheid uitgeschreven overeenkomstig met de
graad van onderwijs in België. Wij kunnen geen advies geven dat
niet overeenkomt met het gelijkwaardigheidsattest. Leerlingen die geen
diploma kunnen bemachtigen uit hun land en die erkend zijn als vluchteling
mogen een verklaring op basis van eer afleggen. Zij worden dus op hun
woord geloofd. Deze gelijkwaardigheidsattesten zijn interessant, maar
niet altijd goed. Wij hebben leerlingen die heel intelligent zijn, maar
door omstandigheden veel jaren verloren hebben in hun land. Hoewel ze
18 zijn bv., hebben ze dan toch maar een gelijkwaardigheid voor het
3de jaar BSO. In zo een gevallen is dat heel pijnlijk, daar wij er soms
van overtuigd zijn dat ze gerust 3 of 4 ASO zouden aankunnen.
- In de tweede plaats gebeurt de oriëntering ook door een klassenraad
(die nochtans niet bindend is). Wij hebben de leerlingen gemiddeld 10
maanden in de klas en hebben een goede kijk op hun evolutie en studiehouding.
Aan de hand van een soort examens wordt ook hun uiteindelijke kennis
getest. Mede (maar zeker niet alleen) door die resultaten geven wij
een oriënteringsadvies dat natuurlijk aansluit bij de gelijkwaardigheid.
Ondergaat elke okanner een test vooraf om te bepalen in welk niveau hij
zal terecht komen en welke specifieke cursus hij moet volgen? Zo ja, waar
gebeurt die test? Door wie wordt die test afgenomen?
- Er worden enkele testen afgenomen. Eén ervan is opgesteld door
NT2, maar persoonlijk vind ik die nogal laag van niveau, aangezien er
vooral op passieve kennis getest wordt. Het geeft een beeld, maar een
heel beperkt beeld. De test wordt door de leerkrachten op school afgenomen.
- Zelf hebben wij een soort examensysteem, driemaal per jaar, met Kerst,
Pasen en in juni. Daarin wordt vooral de evolutie van de leerling getest.
De testen zijn opgesteld per niveaugroep. Door een aantal jaren ervaring
kunnen wij aan de hand van deze resultaten een vrij correct en concreet
advies geven.
Hoe pak je zo'n klas vol verschillende nationaliteiten, religies en culturen
aan? M.a.w. hoe ga je van start met zo een klas?
- Het begin is steeds de moeilijkste fase. Daar je de leerlingen nog
niet kent, en er meestal geen echt gesprek mee kan voeren, kan je de
leerlingen dus ook nog niet gaan indelen in niveaugroepen. Met als gevolg
dat je in een grote groep zit, met soms meer dan 20 nationaliteiten,
verschillende leeftijden dooreen, verschillende godsdiensten en intellectuele
niveaus.
- Het eerste probleem is het taalprobleem. Met de meeste leerlingen
kan je niet communiceren in een gemeenschappelijke taal in het begin
van het schooljaar. Het lesgebeuren vertrekt dus vanaf de eerste minuut
in het Nederlands. De eerste weken wordt dan ook veel gebruik gemaakt
van gebarentaal, het aanleren van concreet zichtbare woordenschat, het
uitbeelden van situaties en het maken van tekeningen. Na een tiental
dagen beschikken de leerlingen over een kleine woordenschat die ons
in staat stelt daar verder op in te gaan en dus moeilijkere dingen aan
te leren zoals het maken van kleine zinnen of het uitleggen van moeilijkere
woorden door gebruik te maken van de woorden die zij al kennen.
- Voor nieuwe leerkrachten is dat een grote aanpassing. Na enkele jaren
OKAN wordt het een evidentie. Voor mij persoonlijk is het niet zo moeilijk
mezelf verstaanbaar te maken de eerste dagen, noch om de leerlingen
te begrijpen.
- Na een kleine maand proberen we (als er genoeg uren voor handen zijn)
de groepen op te delen volgens niveaugroepen, rekening houdend met de
leeftijd, maar vooral ook met het aantal jaren school dat de leerlingen
gevolgd hebben in het land van herkomst, en we kijken natuurlijk ook
naar de snelheid waarmee ze vertrouwd raken met het Nederlands. Leerlingen
die analfabeet of ander gealfabetiseerd zijn proberen we indien mogelijk
in een aparte groep te plaatsen daar zij speciale aandacht nodig hebben
om in onze taal gealfabetiseerd te raken.
- Natuurlijk blijven er grote verschillen gedurende heel het schooljaar
in zo een gevarieerde groep van culturen. Daarom proberen wij de leerlingen
in de eerste plaats een thuis te geven, een gevoel van liefde en respect.
Door deze aspecten in het lesgebeuren te integreren, krijg je een hechte
groep. De leerlingen en leerkrachten krijgen een soort familiaal gevoel.
Deze minimaatschappij van verscheidenheid toont eigenlijk een knap beeld
van wat de wereld zou kunnen zijn. Verschillende rassen kunnen perfect
op een mooie manier met elkaar samenleven. Respect is de sleutel.
Hoe differentieer je? Welke differentiatiemogelijkheden zijn er?
- De makkelijkste en beste manier voor de leerlingen en de leerkrachten
om te differentiëren is natuurlijk het kunnen opdelen in niveaugroepen.
Zo kan je 32 uren in de week aangepast en boeiend onderwijs geven voor
iedereen. Soms is dat praktisch niet mogelijk, en dan moet je andere
manier zien te vinden. Differentiatie in de OKAN is niet evident daar
je met het grote taalprobleem zit. Differentiatie vraagt toch een minimum
aan zelfstandig werken. Wanneer leerlingen niet kunnen lezen of schrijven
of de Nederlandse taal niet voldoende machtig zijn om de opdracht te
begrijpen, is het dus niet evident differentiërende taken uit te
voeren. Soms proberen we meer gevorderde leerlingen samen te zetten
met minder gevorderde leerlingen en laten we hen samenwerken. Maar ook
dit vraagt veel geduld alvorens het werkbaar is.
- Binnen de verschillende niveaugroepen is het makkelijk te differentiëren.
Bij de jongere en speelsere groepen werken we meer op het niveau basisonderwijs,
bij de andere groepen proberen we meer de methode en enkele vakken van
het secundair onderwijs te volgen.
Wat zijn de mogelijkheden en beperkingen van OKAN?
- Mogelijkheden: wat ik persoonlijk een heel groot voordeel aan de OKAN
vind, is dat we geen leerplan hebben. Daardoor kunnen we onze lesinhoud
volledig op de leerlingen en hun niveau afstemmen zonder dat er druk
ontstaat over 'zullen we klaar geraken?'. Natuurlijk houdt dit ook een
beperking in: nieuwe leerkrachten hebben het vaak heel moeilijk om in
te springen daar ze geen draad hebben om zich aan vast te houden.
- Zo komen we ook aan een volgende beperking, die tegelijkertijd ook
een mogelijkheid is: heel veel van onze materialen en cursussen maken
we zelf. Zo kan je supercreatief zijn en je lesinhoud door en door kennen,
beperking natuurlijk terug: het is niet evident voor nieuwe leerkrachten.
- Door de kleinere klassen kan je een heel familiale band opbouwen met
je leerlingen, iedereen kent iedereen, in onze OKAN komen de meeste
leerkrachten ook maar in 2 klassen, waardoor we heel veel uren met dezelfde
klas doorbrengen en de band dus ook nog dieper en intenser wordt.
- Okan krijgt ook (indien je er als team werk van maakt) vaak subsidies
los van allerlei projecten zoals DYNAMO2, of de Koning Boudewijnstichting.
Zo hebben wij al tal van leuke activiteiten en een totaal spektakel
kunnen organiseren (waar we ook veel tijd in kunnen steken, daar we
dus niet gebonden zijn aan een leerplan.
- Een grote beperking van OKAN is: de leerlingen blijven het hele jaar
door instromen. Zo zijn de klassen ook voortdurend 'vloeibaar'. Daardoor
komen soms leerlingen van een totaal ander niveau in een klas terecht
waar ze eigenlijk niet thuishoren. Dat is een grote moeilijkheid, zowel
voor de leerlingen als voor de leerkrachten.
- Een andere beperking is ook dat we door die voortdurend toevloed aan
leerlingen, constant nieuwe leerkrachten nodig hebben. Die zijn niet
altijd even makkelijk te vinden, naarmate het jaar vordert. En een pijnlijk
iets is ook dat goede leerkrachten vaak terug moeten afvloeien eind
juni daar we nooit zeker zijn met hoeveel leerlingen (en dus ook leerkrachten)
we kunnen en zullen starten in september.
Naar welke richting stromen de meeste door?
- Dit is heel uiteenlopend. We hebben heel wat leerlingen die doorstromen
naar het secundair onderwijs ASO (bv. wetenschappen, wiskunde en economie)
De richtingen met talen zijn minder in trek aangezien de leerlingen
al moeilijkheden genoeg met het Nederlands ondervinden. Wanneer daar
dan nog veel Frans, Engels en Duits bijkomt, wordt het problematisch
daar dat voor de meesten allemaal nieuwe talen zijn.
- 1 B, 2 BVL en 3 BSO (kantoor, verzorging
) wordt ook veel aangeraden,
meestal op basis van leeftijd of indien er geen hogere gelijkwaardigheid
is.
- TSO is vaak de meest aangewezen richting. Indien de mogelijkheden
voor verder studeren er niet zijn (bv. financieel gezien of maatschappelijk
gezien), is deze richting aan te raden. Na afloop (na het 6de jaar)
krijg je een goed diploma en je hebt toch een hele goede degelijke opleiding
genoten. Verder is TSO (omwille van het taalprobleem) vaak meer aan
te raden dan ASO, daar het accent dan niet alleen ligt op theoretische
vakken.
Is één jaar okan voldoende voor de meeste leerlingen?
- Voor de meeste leerlingen is 1 jaar voldoende.
Met welke problematiek heb je zoal te maken als je in de okan lesgeeft?
- Taalproblematiek / misverstanden
- Cultuurverschillen / misverstanden, andere gewoontes, onbegrip
- verschillende leeftijden (van 12 tot 18) binnen in één
klas
- weinig contact met ouders (taalprobleem, of cultureel
)
- trauma's, pijnlijke familiale situaties, onzekerheid
- onzekerheid of de leerlingen kunnen blijven, soms verdwijnen ze van
de ene dag op de andere
- weinig mogelijkheid om te studeren buiten de school
- financiële problemen, bv. het niet kunnen betalen van schoolrekeningen
- het hele jaar bijkomen van nieuwe leerlingen, je bent nooit zeker
van je klas
- het hele jaar door zoeken naar nieuwe leerkrachten, opleiden van nieuwe
leerkrachten
|
|